Ik hoor de vogels
in de struiken smiespelen:
het wordt vroeger licht!
320
De sneeuw smelt nu snel.
Dooiwater sijpelt en ruist.
Wintergeluiden.
319
Waarom is sneeuw wit?
Waarom is de hemel blauw?
Waarom smelt sneeuw weer?
318
Het winterzonlicht
speelt met de kale stammen
in het stille bos.