Twee kleintjes maken
rondedansjes in de straat.
– Oorlogen. Waarom?
248
Het verkeer staat aan
en ruist zacht mijn kamer in.
Ik denk aan de zee.
247
Waar is de merel
die ons elke dag wekte?
Terug naar het bos?
246
Klokslag half zes valt
de krant op de mat; ik vrees
het nieuws van de dag.