Een dichter leest voor.
Hij zoekt een luisterend oor;
stilte die hem draagt.
271
In de natte tuin
fonkelen diamantjes
in de ochtendzon.
270
Een vosje fladdert
heen en weer tussen jou en
mij. Wie zou het zijn?
269
Veel boomwortels op
het bospad. Soms struikelend
vervolg ik mijn weg.