De dagen lengen.
Beetjes vorst, sneeuw en zonlicht.
Wintermelange.
148
Aarzelend opent
nu de toverhazelaar
zijn trukendoos.
Straks staan we weer te gapen
als verbaasde kinderen.
(tanka)
147
Mijn boeken willen
dat ik ze lees – ik vind het
fijn dat ze er zijn.
146
Een lijster zingt zijn
uitbundig lied – even voelt
het minder winters.