Pasen: vroeg opstaan,
van de lente genieten;
ook zelf vernieuwen.
159
De winter voorbij,
loopt het dorre hout weer uit,
blij gespaard te zijn.
158
Tussen de graven
bloeit ze schaamteloos roze,
een Magnolia
157
De lente aarzelt.
Maar de sleedoorn bloeit gewoon,
takken wit als sneeuw.