Koeien in de wei.
Ze lossen op in de mist –
als in een melkplas.
122
Het licht wordt bleker.
De zomer loopt ten einde.
Het is mooi geweest.
121
De eerste kastanje,
op mijn ochtendwandeling
moeizaam opgeraapt.
120
Onverstoorbaarheid
kenmerkt de ware monarch.
Mens als instituut.