Verwaaid staan ze daar
achter hun stal, de schapen
in hun wollen jas.
33
Met grote vlokken
daalt de sneeuw, geluidloos
als engelenwieken.
32
Geur van een sigaar.
Heel even zie ik hem weer:
vader die geniet.
31
De dagen voor Kerst.
Tijd om kaarsjes te branden.
Met kort lontje graag!