Een zomerse dag.
De tuin ziet bont en blauw.
Een lust voor het oog.
176
Een blauw vogeltje
moet nu wijken voor een X.
Ik vind het maar NX.
175
Zou het vee dromen
van eeuwige maïsvelden?
We weten het niet.
174
‘Fijn! Ontberingen!’,
denkt de vakantieganger,
‘die heb ik thuis niet.’